De Rijksakademie van beeldende kunsten is in 1870 opgericht door Koning Willem III als opvolger van de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten, die in 1817 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld als academie met een nationale opdracht. In de Rijksakademie collecties is de geschiedenis van deze instituten en de academische traditie zichtbaar zoals ooit begonnen in de Amsterdamse Stads Tekenacademie (18de eeuw) en de Konstkamer (17de eeuw). In het verleden waren kunstenaars als August Allebé, Antoon Derkinderen, Willem Witsen, Jan Veth, Jan Toorop, Berlage, Breitner, Piet Mondriaan, Constant, Karel Appel en vele anderen verbonden aan de Rijksakademie.
Van klassieke academie naar kunstenaarsresidency
De Rijksakademie in haar huidige vorm als residency is het resultaat van een ontwikkelingsproces dat werd ingezet in het begin van de jaren '80 van de vorige eeuw. Het 'schoolse' concept werd losgelaten, kennis en vaardigheden niet langer aangeboden in een gestructureerde onderwijsvorm. Lesprogramma's werden overboord gezet, klaslokalen omgebouwd tot individuele ateliers. Docenten maakten plaats voor ervaren kunstenaars, advisors, de studenten voor jonge kunstenaars uit binnen- en buitenland met een afgeronde opleiding en enige jaren praktijkervaring. In individuele atelierbezoeken bespreken advisors het werk en werkproces met resident artists.
Deze ingrijpende reorganisatie was de sleutel tot succes, waarbij de latere verzelfstandiging (november 1999) een katalysator bleek voor de internationale positionering en profilering.
De internationale betekenis van de Rijksakademie groeide en groeit. Het aantal aanmeldingen groeit jaarlijks, en de kwaliteit van het aanbod blijft onverminderd hoog. Residents komen van over de hele wereld, 26 nationaliteiten zijn vertegenwoordigd in 2011. De Rijksakademie trekt uit de hele wereld toptalent aan.