De Rijksakademie vanuit het perspectief van haar directeuren (1870-2010)*

In 1870 bij wet opgericht door Koning Willem III kreeg de Rijksakademie als eerste directeur de schilder Bastiaan de Poorter (1870-1880). Hij was de architect van het programma van de Rijksakademie in 1870 en formuleerde een plan waarin nadrukkelijk vermeden werd een bepaald soort kunst of stijl aan te bevelen. Het idee van de vrije kunstenaar was de drijfveer, een kunstenaar ‘welke naam alleen verdiend wordt door hem, die bij eigen vrije vorming zijne individualiteit en oorspronkelijkheid heeft bewaard en ontwikkeld’. Volgens goede academische gewoonte werd de tekenkunst als de grondslag van het kunstenaarschap gezien. Ondanks zijn ruimere ideeën handhaafde Bastiaan de Poorter in de praktijk de academische classicistische kunstopvatting.

In 1880 ruimde hij het veld voor één van de hoogleraren van de Rijksakademie, August Allebé. Onder het directoraat van Allebé (1880-1906) werd het oorspronkelijke plan zoals zijn voorganger geformuleerd had uitgewerkt. Hij manifesteerde zich als een typische kunstenaar en directeur van het midden, en vermeed de extremen van impressionisme en academisme. Hij liet ruimte voor de persoonlijke ontwikkeling en keuzes van de jonge kunstenaars en legde nadruk op de schilderpraktijk in het onderwijs: ‘Schilderen, tableau de chevalet of monumentaal, leert men niet op colleges of congressen, maar in de schilderkeuken atelier genaamd’. Hij benutte de mogelijkheden die in de wet werden genoemd: het logesysteem en de Prix de Rome, als zelfstandige fase aan het einde van de studie.

Zijn opvolger Antoon Derkinderen (1906-1925) had heel andere opvattingen. In lezingen en publicaties verkondigde hij dat kunst dienend moest zijn; tegenover het ideaal van de vrije kunstenaar zette hij dat van de gemeenschapskunstenaar. Naar het voorbeeld van de middeleeuwse gilden werden leerlingen in het schilderen geoefend door mee te werken aan de opdrachten van professionele kunstenaars.

Na Derkinderen’s dood werd hoogleraar monumentale kunst Richard Roland Holst directeur (1926-1933). Hij was vervuld van dezelfde idealen als zijn voorganger, maar zijn dadendrang leidde tot concretere resultaten. Naast de afdeling vrije kunsten kwam er een tweede, waarin de monumentale of gebonden kunst werd onderwezen. Roland Holst haalde opdrachten binnen, waar onder zijn leiding leerlingen aan werkten. Zo gaf hij het idee van een ‘hogere’ kunstopleiding gestalte: ‘Wij moeten geen muzikanten maken, maar componisten’.

Na het vertrek van Roland Holst in 1933 leidde de door hem opgerichte afdeling munumentale kunsten korte tijd een kwijnend bestaan. Beeldhouwer Bronner deed er nog het meeste aan in zijn goed functionerende beeldhouwklasse. Toen in 1935 de Duitse kunstenaar Heinrich Campendonk als hoogleraar monumentale kunsten werd aangesteld, leefde de afdeling weer op, terwijl de afdeling vrije kunsten lang niet zo spraakmakend was. Uiteindelijk werd in 1939 de strijd tussen vrij en gebonden in een compromis gesmoord door als directeur de hoogleraar vrij schilderen Willem van den Berg (1939-1953) aan te stellen.

Vanaf zijn tijd tot ver in de jaren zeventig vormde ‘het werken naar de natuur’ het uitgangspunt en het doel van het academische onderwijs aan de Rijksakademie, terwijl in de moderne kunst dat vertrekpunt allang niet meer zaligmakend was. Hoewel de academie technisch begaafde kunstenaars afleverde werd de 19e eeuwse praktijk steeds meer een bron van verzet onder geledingen van docenten en leerlingen, aangemoedigd door kritiek van buiten het instituut en maatschappelijke ontwikkelingen. De academie moest worden ‘schoongeveegd’.

Deze taak werd opgedragen aan de opvolger van Van den Berg, de kunsthistoricus en voormalig ambtenaar van het ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen: Nico Vroom (1953-1971). Dat leek een ongebruikelijke benoeming maar in feite werd hier het denken in compromissen voortgezet. Vroom wilde de academie in haar negentiende-eeuwse luister herstellen. Aan het eind van zijn directoraat werd sociologie als theorie gegeven en de afdeling visuele communicatie opgericht, een grote concessie aan de roep om vermaatschappelijking en de groeiende kritiek van buiten. Vroom werd ad interim opgevolgd door drie hoogleraren: Van Wessem, De Kat en Vaarzon Morel (1972-1974), waarna voor een poging de Rijksakademie grondig te herzien de psycholoog-socioloog Jan van Riemsdijk (1974-1981) werd aangetrokken.
Opstand en verandering waren na dertig jaar traditioneel bestuur noodzakelijk: de academie was te academisch geworden, in de meest negatieve zin van het woord.

Na een rumoerige tijd met onzekerheid over het voortbestaan van de Rijksakademie onderging zij vanaf 1982, na de komst van socioloog Janwillem Schrofer (1982-2010), een totale reorganisatie. Geleidelijk aan ontdeed het instituut zich onder zijn leiding van het wat stoffige imago van een academie waar het tekenen naar naaktmodel de boventoon voerde. Het veranderde in een ‘instituut voor praktijkstudie’ en een ontmoetingsplaats voor kunstenaars. Er werd een nieuwe stabiliteit gevonden en het ingezette veranderingsproces werd in 1992 afgerond met herhuisvesting van de Rijksakademie aan de Sarphatistraat.
Bij zijn afscheid in mei 2010 kenmerkt de Rijksakademie zich als een eigentijds kunstenaarsinstituut voor nationaal en internationaal toptalent met drie kernfuncties: Residency, Prix de Rome en Collecties.

* Deze tekst is grotendeels ontleend aan het artikel Een vriend om tegen te knokken van Jenny Reynaerts (1995) in Er is eene Rijks-Akademie...over ruimte voor kunstenaars (pp. 28-69), Toth/Bussum.